Category: Craftmanship

In gesprek met Vincent Lammers

Reflectie op het gesprek met Vincent Lammers
Barend Onneweer

Op 7 mei heb ik in bijzijn van een kleine groep toehoorders van de Master Design en bachelor animatie en illustratie een gesprek gehad met Vincent Lammers, over het organiseren en managen van creatieve samenwerking in teams. Oorspronkelijk had ik nog een ontwerper en filmmaker uitgenodigd die vooral vanuit analoge materialen werkt – als tegenhanger van mijn eigen praktijk maar die kon op het laatste moment niet aanwezig zijn.

Ik heb Vincent uitgenodigd omdat we enerzijds een gedeeld referentiekader hebben: hij is een oud-student Animatie. Maar hij heeft zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld tot partner en creatief directeur van een van de grootste postproductiebedrijven van Nederland: Ambassadors.

Dat bedrijf is ooit begonnen als ‘traditioneel’ service-gericht bedrijf, maar op aandringen van Vincent is de nadruk komen te liggen op creatief ontwerp en animatie. Bij Ambassadors werken nu meer dan 90 mensen – dus het leek me interessant om met hem te praten over zijn rol in het leiden en begeleiden van een team van creatieve makers – hoe houd je de mensen gemotiveerd en betrokken als ze zo’n (relatief) klein onderdeel zijn van het team?

In het begin van het gesprek sprak Vincent me direct aan op de door mij geïntroduceerde metafoor van de jazzband en het symfonieorkest: de belangrijkste persoon in een symfonieorkest is misschien de dirigent, maar die is ook de enige die geen geluid maakt. Maar dat is vooralsnog de positie die ik probeer te vermijden. “The blueprint signalled, moreover, one decisive disconnection between head and hand in design: the idea of a thing made complete in conception before it is constructed.”

“The blueprint signalled, moreover, one decisive disconnection between head and hand in design: the idea of a thing made complete in conception before it is constructed.” (Richard Sennett)

Bij Ambassadors heeft Vincent bewust een omschakeling teweeggebracht waarbij er alleen met eigen regisseurs en eigen art-department wordt gewerkt, zodat het hele creatieve proces zich in ieder geval binnen de studio afspeelt. Er wordt ook bewust niet met freelancers gewerkt maar met vaste contracten – om zoveel mogelijk ‘familie-gevoel’ te ontwikkelen.

Hij gaf ook een voorbeeld van een animator Jurriën die zo’n sterk gevoel van eigenaarschap over zijn werk voelde dat hij heel veel moeite had met feedback. Tegelijkertijd heeft een deel van het personeel een veel meer dienstbare instelling: ‘u vraagt, wij draaien’.

Voor mijn team zoek ik juist die maker met een sterk gevoel van eigenaarschap, omdat ik geloof dat daar vaak het meest interessante werk uit komt, wat door Vincent bevestigd wordt: “… dat is ook de reden dat zijn werk die kwaliteit heeft”.

Maar om frustratie van eindeloze feedback-rondes met aanpassingen te vermijden proberen we in het voortraject zodanig af te stemmen dat die aanpassingen niet nodig zijn. Ik stelde Vincent de vraag hoe hij probeerde te vermijden dat Jurriën teveel aanpassingen moest verwerken:

  • Proberen de vaste ideeën van wat het moet worden loslaten.
  • In het begin veel ruimte laten aan de animatoren om ideeen te ontwikkelen, waarbij hij zijn eigen rol beschrijft als curator en cheerleader (en soms gefrustreerd makers die in de avonduren ook wat schetsen probeert te maken).

De vraag die hij terug stelde was: waar moet de verantwoordelijkheid om die individuele betrokkenheid te stimuleren liggen? En vooral: kun je wel open dat verkennende proces leiden als je naast ‘facilitator’ ook deelnemer wilt zijn? Kun je een open en gelijkwaardige creatieve conversatie aangaan als je naast deelnemer ook teamleider bent?

 

Ik denk natuurlijk van wel. Maar dat heeft alles te maken met vertrouwen – en inderdaad een open houding. Als ik al precies weet wat ik wil maken dan is het niet eerlijk ten opzichte van de teamleden. Tegelijkertijd zal ik soms een sturende rol innemen.

Een andere benadering om het gevoel van eigenaarschap te stimuleren bij Ambassadors is om zo min mogelijk taken op te splitsen: iemand die het ruimtelijk 3d model modelleert, maakt ook de kleur en textuur – waar in veel studio’s een meer lopende band benadering heerst waarbij onderdelen door vele handen passeren gedurende een productie.

How would you describe your role in the various teams?

And is that role different in different phases of production? Or with different types of team members?

Vincent beaamde dat bij Ambassadors de producties over het algemeen duidelijk in fases zijn verdeeld (ook omwille van formele goedkeuring van de klant per fase). Daarbij is de eerste fase van conceptontwikkeling het meest creatief.

Ook vereist iedere teamlid een andere benadering – en is vooral niet iedereen uitgesproken over individuele ambities of passies. Soms kom je er per toeval achter dat iemand verborgen fascinaties heeft die heel goed zouden kunnen passen bij het werk… “Ik ben eigenlijk gewoon een docent geworden” zegt Vincent.

Dat er parallellen met kunstonderwijs zijn was mij ook al duidelijk. Individuele persoonlijke ontwikkeling als drijfveer binnen een team kan heel krachtig zijn. Maar wat maakt dat iemand ook verantwoordelijkheid voelt voor het teamresultaat?

Toen we later in de Oude Haven het gesprek voortzetten kwam hij met een anekdote: tijdens een project voor een goed doel dat door Ambassadors ‘gratis’ werd gedaan was het enthousiasme bij het team wat laag. Toen Vincent probeerde te achterhalen hoe dat kwam was de reactie: “het is toch maar een gratis klus”… In sommige gevallen is het dus de financiële beloning voor het bedrijf wat teamleden motiveert (terwijl ze zelf gewoon salaris ontvangen).

Ik herken wel dat het gevoel van urgentie soms sterker is als er financiële consequenties zijn – maar tegelijkertijd zoek ik naar teamleden die het ‘niet alleen voor het geld doen’. Dat speelt bij de selectie van teamleden een grote rol.

Ambacht en materialiteit

In het gesprek heeft heeft het thema ambacht en materialiteit uiteindelijk minder aandacht gekregen. Op dit moment zijn de vragen over samenwerking voor mij het meest urgent – de interesse in ontwerpen vanuit het (digitale) materiaal is deels de motivatie voor die zoektocht naar individueel makerschap binnen een team.

Afrondend

Wat duidelijk is is dat Vincent op zijn manier tegen dezelfde uitdagingen aanloopt als ikzelf – waarbij de complexiteit sterker wordt naarmate de teams groter worden. In zijn geval is hij meer dirigent geworden – waarbij hij sporadisch in zijn eigen tijd nog wat schetsen maakt. Dat is precies wat ik wil voorkomen. Kleinschaliger werken zal daar een rol in spelen – maar vooral mijn onderzoek naar de het ontwikkelen van een gedeeld referentiekader en ontwerpvisie in de beginstadia van een project moeten daar een belangrijk aandeel in hebben.

The bricoleur vs the engineer

On “The Savage Mind, chapter one: The Science of the Concrete”

by Claude Levi-Strauss (1962)

The first edition of “The Savage Mind”

Summary

In the first chapter of his book “The Savage Mind”, Claude Levi-Strauss distinguishes two different approaches towards acquiring knowledge. He explains how primitive societies used ‘mythical thought’ – or what Levi-Strauss calls ‘science of the concrete’ – to make sense of the world. He explains this science of the concrete as the primitive logic of understanding the environment through smell, taste, texture and interaction with the environment. The idea that the logic of the world reveals itself through a very hand-on subjective approach.

Using mythology as a way of illustrating this science of the concrete, he states that all myths are bases on a limited number of core ingredients, and all that the mythical thinker does is recombine these elements into new variations.

In contrast, modern (western) science has a much more deterministic approach, and tries to explain that which cannot be experiences or sensed, resulting in new knowledge that was not existing before.

Elaborating on this definition of mythical thought, he introduces the concept of ‘bricolage’ (a French term that roughly means ‘tinkering’). The bricoleur uses the tools and materials available to him, and although there may be a vague imagined outcome, the endresult is predominantly shaped by the process, and will therefore “always be removed from the initial aim” (p.21).

On the modern scientist he writes: “The engineer is always trying to make his way out of and go beyond the constraints imposed by a particular state of civilization while the “bricoleur” by inclination or necessity always remains within them.” (p. 19)

In the last part of the chapter the connection is made to art and the tension between working with the materials (letting the available materials determine the process) or with a model (blueprint, or pre-imagined outcome).

And finally he compares art to mythology, where art is the outcome of objects that are shaped through events, and myths are the outcome of events that are shaped through objects.

 

Positioning

Levi-Strauss has an anthropological perspective based very much on linquistics. His writing is extremely dense, and on the face of it, it may seem that he prefers the modern scientist over the inherently limited mythical thinker. The engineer over the bricoleur.

But apart from acknowledging that the “difference is … less absolute than it might appear” (p.19), and “both approaches are equally valid” (p.22), he also also states that “art lies half-way between scientific knowledge and mythical or magical thought” (p.22).

 

Relevance

Although the name of Levi-Strauss is only mentioned once in Richard Sennets book “The Craftsman”, Sennets thoughts on craftmanship are building on his ideas.

In my research I am exploring the idea that there is a lot of value in integrating the thinking and making when applied to making visual effects for cinema. In this context the term ‘bricoleur’ and its relationship to craftsmanship becomes important.

Although (or maybe because) Levi-Strauss’ writing is somewhat opaque he has influenced a lot of later thinkers and writers on the subject of craftmanship.

“The engineer works by way of concept, and the ‘bricoleur’ by way of signs.” (p.20)

The painter is always mid-way between design and anecdote, and his genius consists in uniting internal and external knowledge, ‘being’ and a ‘becoming’, in producing with his brush an object which does not exist as such and which he is nevertheless able to create on his canvas.” (p.25)

 These quotes show that Levi-Strauss must have had an influence on Richard Sennett, who elaborates on his own ideas on this subject in the book “The Craftsman”.

 

 

On material consciousness

On “The Craftsman” (Richard Sennett) Chapter 4: Material Consciousness

In The Craftsman Richard Sennett explores the the idea of craftsmanship, the desire to do a job well for its own sake – as a template for living. Very broadly speaking the book deals with the integration of thinking and making.

In the chapter about material consciousness he specifically discusses the relationship between a craftsman and his materials and tools. “

“The painter Edgar Degas is once supposed to have remarked to Stephane Mallarme, “I have a wonderful idea for a poem but can’t seem to work it out,” whereupon Mallarme replied, “My dear Edgar, poems are not made with ideas, they are made with words.” (p.119)

Sennett proposes that a craftsman is driven by the ability to change things, and that their thinking revolves around three key issues: metamorphosis, presence and anthropomorphosis.

Through three stories on pottery, brick making and stucco, Sennett argues that these crafts and the thinking about them have developed over the centuries through intimate interaction with the materials, through trial and error. Gradually perfecting techniques, or applying them to a different context. But also identifying themselves in and with the work by leaving makers marks or signing. Sennett uses brick making as an example of how anthropomorphism becomes part of the discourse:

“Honest”brick describes brickwork in which all the bricks laid, say, in a Flemish bond course come from the same kiln, and even more, “honest” brick evokes a building surface in which the brick work is exposed rather than covered over: no cosmetics, no “pots of whore’s rouge” have been applied to its face”. (p.140)

This is in contrast with the developments in stucco, which could be used mimic other materials, or hide any underlying materials. This sparked a modern debate on the virtues of naturalness, and the contrary freedoms of fantasy artifice, with brick embodying the Enlightenment desires to live in harmony with simple things.

The projection of human qualities to materials (anthropomorphism) leads to a philosophical debate on simulated materials or objects, made to look like they were hand-made.

Position of the author

Sennett is not one to take a very explicit position but throughout the book it is clear he is proposing the craftsmans integrated thinking and making as a model for living a productive and meaningful life. On multiple occasions he is critical of the split between thinking and doing that has been central to a lot of western thinking since Plato.

Why is this relevant

Within the last century effects for cinema have moved from physical and photo-chemical to much more metaphorical using digital tools.

My argument is that although digital visual effects may not have as much of the tactile physical interaction that, say, clay has – it can be seen as craftsmanship in that the result is shaped through integrated thinking and making. For most visual effects artists, their craft is part of a way of life, and they are driven by a desire to do great work for its own sake.

Second: I am exploring the issue of material ‘honesty’ and how it relates to digital work. On the ‘surface’  it would be convincing to propose that digital effects are to traditional effects as bricks are to stucco (which according to Sennett renowned historian John Summerson classified as ‘fake material’ p.139). This would imply that for instance brick (and especially hand-made brick) have an intrinsic honesty whereas stucco is actively trying to fool people.

Upon further thinking this concept seems more and more ridiculous. Or better: it is a cultural construct. But nonetheless an important part of my motivation.

 

 

 

Source: “The Craftsman” – Richard Sennett

My father was a carpenter and woodworker, as were both my grandfathers. I grew up in the wood workshop and have been tinkering my whole life.

No wonder that I feel that thinking cannot be separated from making – and the dialogue between the hands and the brain is what shapes my work. Even though nowadays I spend most of my working life on an office chair looking at a computer monitor I still feel the same.

So the notion of craftmanship is central to how I see myself as a designer. I don’t ‘sketch’ so much as that I ‘shape’ or ‘sculpt’.

To be continued.